In gesprek met Judy Aubrain en George Schuddebeurs over Plan Kiskeya, het DNA-project en de zoektocht naar familie.
Voor Judy Aubrain begint het verhaal van Plan Kiskeya met een ontmoeting. “George en ik waren op Haïti voor een ander project,” vertelt hij. “Daar spraken we ouders die hun kinderen al jaren kwijt waren. Sommigen hadden nooit meer iets gehoord. Ze vroegen ons: kunnen jullie helpen om ze terug te vinden?”
Die vraag raakte hen direct. Niet alleen vanwege de urgentie, maar ook omdat het persoonlijk herkenbaar was. “Wij dragen zelf ook die behoefte om familie te vinden met ons mee,” zegt Judy. “Dat maakte dat we dachten: hier moeten we iets mee.” Zo ontstond Plan Kiskeya.
Wat volgde was de oprichting van een stichting en een gestructureerde aanpak om families te herenigen, onder andere via een DNA-project. Al snel werd duidelijk dat de behoefte veel groter is dan de capaciteit. George: “We doen oproepen in specifieke gebieden op Haïti waarvan we weten dat er veel kinderen zijn geadopteerd. Als er dan meer mensen komen dan verwacht, zoals bij het DNA-project, is dat dubbel. Het betekent dat je goed hebt ingeschat waar de behoefte zit, maar ook dat je helaas niet iedereen kunt helpen.”
De complexiteit van het werk zit niet alleen in de middelen, maar ook in de schaal. “Er wonen ongeveer tien miljoen mensen op Haïti,” legt George uit. “Met zo’n 200 DNA-tests hebben we inmiddels 15 tot 20 matches gerealiseerd. Dat is eigenlijk zoeken naar spelden in hooibergen, maar door dit project zetten we wel mooie stappen.”

Judy Aubrain (links) en George Schuddebeurs (rechts) van Plan Kiskeya.
Emotionele impact
Het werk bij Plan Kiskeya brengt vaak emotionele verhalen met zich mee. Hoe gaan Judy en George daar zelf mee om, als mens én als organisatie?
Judy: “Als organisatie proberen we vooral ruimte te bieden. Mensen moeten hun verhaal kunnen doen. Op Haïti faciliteren we dat tijdens bijeenkomsten, en in Nederland doen we eigenlijk hetzelfde voor geadopteerden.” Tegelijkertijd vraagt het werk om een zekere balans. “De verhalen komen soms binnen, maar ik heb geleerd om daar met gepaste afstand mee om te gaan.”
Voor George komt daar nog een andere laag bij kijken. “Er zit altijd een dubbel gevoel in. Je bent bezig voor anderen, maar ergens hoop je ook: misschien zit mijn eigen match ertussen. Als iemand anders zijn familie vindt, denk je soms ook: dat had ik kunnen zijn.” Toch overheerst de motivatie om anderen te helpen. “Je ziet wat het vinden van familie met mensen doet. Het verandert echt levens.”

Waarom dit werk noodzakelijk is
Het Commissie Joustra-rapport benadrukt dat identiteitsherstel voor geadopteerden essentieel is. “Dat is precies waar wij ons met het DNA-project voor inzetten,” zegt Judy. “Ons werk helpt mensen hun verhaal en hun familiegeschiedenis terug te vinden.”
‘’Wat er stopt na het hebben van een match’’, zegt Judy. Dat is het grootste effect. “Je ziet dat de onrust bij mensen verdwijnt. Die constante zoektocht, dat niet-weten. Als mensen elkaar vinden, komt er rust. En dat is misschien wel het grootste goed dat je kunt krijgen.”
Toekomst: naar zelfstandigheid
De ambitie voor de toekomst is helder: een systeem opzetten dat zelfstandig kan functioneren. “Het mooiste zou zijn als we overbodig worden,” zegt George. “Dat het proces zo goed staat dat het zoeken naar familie lokaal in Haïti door kan gaan.”
Daarbij hoort ook aandacht voor wat er ná een match gebeurt. Judy: “Het gaat niet alleen om het vinden van familie, maar ook om wat daarna komt. Denk aan begeleiding, ontmoetingsplekken of zelfs economische ondersteuning voor families.”

Samenwerking als sleutel
De invulling van dit werk hadden ze nooit alleen kunnen realiseren. George: “Dankzij partners zoals INEA en steun vanuit het ministerie kunnen we families daadwerkelijk helpen.”
Het blijft pionieren, met vallen en opstaan, maar de resultaten spreken voor zich. “Het werkt,” zegt George. “En dat is misschien wel de belangrijkste boodschap.”


