De deur sluiten of het pad verleggen? Het Nederlandse verbod op interlandelijke adoptie en het risico van omzeiling.
Dit is een samenvatting van een artikel over het Nederlandse besluit om interlandelijke adoptie af te bouwen en uiteindelijk te stoppen. De centrale vraag is of dit verbod interlandelijke adoptie echt voorkomt, of dat mensen andere wegen zullen zoeken om toch een kind uit het buitenland te adopteren. De auteur stelt dat het verbod belangrijk is, maar niet automatisch genoeg is. Het succes hangt af van de vraag of mensen het verbod begrijpen, steunen en naleven.
De aanleiding voor het verbod ligt in de vele misstanden bij interlandelijke adoptie. De Commissie Joustra onderzocht adopties uit onder andere Bangladesh, Brazilië, Colombia, Indonesië en Sri Lanka. Zij liet zien dat er ernstige problemen waren, zoals kinderhandel, vervalste documenten, omkoping en gebrekkig toezicht. Ook bleek dat de Nederlandse overheid signalen over deze misstanden kende, maar niet genoeg ingreep. Daardoor groeide het besef dat het adoptiesysteem niet alleen losse fouten kende, maar structureel kwetsbaar was.
Na het rapport van de Commissie Joustra werd interlandelijke adoptie tijdelijk stilgelegd. Daarna volgde opnieuw discussie over de vraag of betere regels voldoende zouden zijn. Eerst koos de regering nog voor strengere controle en een nieuw systeem met één centrale bemiddelingsorganisatie. Toch bleef de twijfel bestaan of misstanden daarmee echt konden worden voorkomen. In 2024 stemde de Tweede Kamer voor afbouw van interlandelijke adoptie. In 2026 werd een wetsvoorstel voorbereid dat ervoor moet zorgen dat interlandelijke adoptie uiterlijk in 2030 stopt.
De auteur beschrijft deze verandering als een overgang van een regulerende aanpak naar een afschaffende aanpak. Eerst probeerde Nederland interlandelijke adoptie veiliger te maken met regels, controles en procedures. Nu kiest Nederland ervoor om het systeem helemaal te beëindigen, omdat de risico’s volgens de regering niet voldoende kunnen worden weggenomen.
Waarom een verbod niet altijd genoeg is
Om te begrijpen of het verbod werkt, gebruikt de auteur twee theorieën uit de criminologie. De eerste is de Rational Choice Theory. Deze theorie gaat ervan uit dat mensen keuzes maken door voordelen en nadelen tegen elkaar af te wegen. Voor aspirant-adoptieouders betekent dit dat zij kunnen kijken naar wat adoptie hun oplevert, maar ook naar de risico’s van het overtreden van de wet.
Het verbod maakt interlandelijke adoptie moeilijker en risicovoller. Wie het verbod overtreedt, kan een boete krijgen of zelfs korte tijd worden vastgezet. Ook kunnen er sociale gevolgen zijn, zoals afkeuring van anderen of schade aan iemands reputatie. Daarnaast zijn alternatieve routes vaak duur, ingewikkeld en onzeker. Deze kosten kunnen sommige mensen afschrikken.
Toch verdwijnen de motieven voor interlandelijke adoptie niet vanzelf. Sommige mensen willen graag ouder worden en zien adoptie als een manier om een gezin te vormen. Anderen zien interlandelijke adoptie ook als een goede of humanitaire daad: zij denken dat zij een kind redden uit armoede, oorlog of slechte omstandigheden. Juist deze morele overtuiging kan sterk zijn. Als mensen het verbod niet rechtvaardig vinden, kunnen zij de risico’s eerder accepteren.
Daarom is volgens de auteur maatschappelijke steun voor het verbod belangrijk. Als interlandelijke adoptie vooral wordt gezien als een reddingsactie, blijft de wens om het verbod te omzeilen bestaan. Als mensen beter begrijpen dat interlandelijke adoptie ook schade kan veroorzaken en samenhangt met ongelijkheid en misbruik, kan de aantrekkingskracht afnemen.
Twee mogelijke manieren om het verbod te omzeilen
De tweede theorie die de auteur gebruikt is de Routine Activity Theory. Deze theorie kijkt niet alleen naar motivatie, maar ook naar kansen. Zelfs als mensen gemotiveerd zijn, kunnen zij alleen handelen als er mogelijkheden zijn en als toezicht tekortschiet. De auteur bespreekt twee mogelijke routes waarmee aspirant-adoptieouders het Nederlandse verbod zouden kunnen omzeilen.
De eerste route is dat mensen in een ander land buiten het officiële adoptiesysteem om een ouder-kindrelatie proberen te regelen. Zij kunnen bijvoorbeeld naar een herkomstland reizen, daar een binnenlandse adoptie of pleegzorgregeling aangaan en daarna proberen het kind naar Nederland te brengen. Deze route bestond al eerder en werd gezien als gevoelig voor misbruik, omdat er minder controle is en er soms private tussenpersonen betrokken zijn.
Het Nederlandse wetsvoorstel probeert deze route te blokkeren op twee momenten. Ten eerste bij de toegang tot Nederland, bijvoorbeeld via ambassades die een visum kunnen weigeren. Ten tweede bij de juridische erkenning in Nederland. Een kind moet namelijk geregistreerd kunnen worden en toegang krijgen tot zorg, onderwijs en andere voorzieningen. Zonder juridische erkenning is dat moeilijk.
Toch zijn er grenzen aan deze controle. Binnen de Europese Unie zijn er meestal geen grenscontroles en geen visumplichten. Daardoor is het moeilijker om te voorkomen dat een kind uit een EU-land naar Nederland wordt gebracht. Ook kan het recht op gezinsleven een rol spelen. Als een kind al langere tijd in een gezin woont en daar is geworteld, kan het voor een rechter moeilijk zijn om het kind weer weg te halen, zelfs als de situatie in strijd met de wet is ontstaan.
De tweede route is adoptie via een ander ontvangend land. Aspirant-adoptieouders kunnen proberen te verhuizen naar een land waar interlandelijke adoptie nog wel mogelijk is. Daar kunnen zij volgens het lokale recht een adoptieprocedure starten en daarna met het kind terugkeren naar Nederland. Dit is niet eenvoudig, omdat internationale regels bepalen dat mensen een adoptieprocedure moeten starten in het land waar zij normaal wonen. Toch kan strategische verhuizing een mogelijkheid blijven.
De wet probeert dit risico te beperken door extra controle te vragen als mensen kort vóór de buitenlandse adoptie nog in Nederland woonden. Maar ook hier zijn er praktische grenzen. Verhuizen binnen de Europese Unie is relatief makkelijk. Mensen hebben geen visum nodig en kunnen soms werk en verblijf makkelijker regelen. Voor mensen met genoeg geld, flexibel werk en sterke motivatie kan deze route dus toch haalbaar zijn.
Volgens de auteur kan Nederland dit probleem niet alleen oplossen. Er is samenwerking nodig tussen landen, bijvoorbeeld tussen centrale autoriteiten die informatie uitwisselen. Maar zulke samenwerking is ingewikkeld. Landen hebben verschillende regels, prioriteiten en privacywetgeving. Bovendien is het niet altijd duidelijk of een ander land verplicht is om een adoptieverzoek te weigeren omdat Nederland een verbod heeft.
Conclusie
Het artikel concludeert dat het Nederlandse verbod op interlandelijke adoptie een grote beleidsverandering is. Nederland is voornemens om op termijn het officiële kanaal voor interlandelijke adoptie te sluiten. Dat is bedoeld om kinderen beter te beschermen tegen misstanden die volgens de regering niet voldoende met strengere regels kunnen worden voorkomen.
Maar het verbod sluit niet automatisch alle mogelijkheden af. Sommige aspirant-adoptieouders kunnen proberen andere routes te gebruiken, vooral als zij adoptie blijven zien als een moreel goede daad. Juridische sancties, hoge kosten en sociale afkeuring kunnen afschrikken, maar alleen als mensen het verbod ook als legitiem ervaren.
De belangrijkste uitdaging is daarom niet alleen juridisch, maar ook maatschappelijk. Het verbod werkt beter als er breed begrip ontstaat voor de redenen erachter: de risico’s op misstanden, de ongelijkheid tussen landen, de schade voor kinderen en families, en het belang van oplossingen in het land van herkomst. Pas als de morele aantrekkingskracht van interlandelijke adoptie afneemt, wordt de kans kleiner dat mensen het verbod proberen te omzeilen.
Hieronder vindt u het originele artikel van Prof. dr. E.C. Loibl.