Interview met Hyo Soon Kaag, schrijver en regisseur van Kimchi en Kroketten
Redacteur: Lise Sloot
Wat betekent het om op te groeien tussen verschillende werelden? En wat gebeurt er als vragen over afkomst en identiteit, die lange tijd op de achtergrond zijn gebleven, ineens naar de oppervlakte komen?
Dat zijn vragen die centraal staan in Kimchi en Kroketten, een coming-of-agefilm over adoptie, afkomst en identiteit die zich afspeelt in de jaren 90. In de film neemt de zomer van Soo-Ji een onverwachte wending wanneer ze wordt meegezogen in de onmacht en frustratie van haar zeventienjarige broer Kofi over zijn adoptie. Hierdoor wordt Soo-Ji gedwongen ook naar zichzelf te kijken.
De film is geschreven en geregisseerd door Hyo Soon Kaag. Voor het verhaal putte zij uit haar eigen ervaringen als geadopteerde Koreaanse vrouw en uit de ervaringen van anderen. De hoofdrollen worden gespeeld door Shieun Park, Isaac OQuedraogo, Waldemar Torenstra en Anniek Pheifer.
Met Kimchi en Kroketten wil Hyo Soon een ander perspectief op interlandelijke adoptie laten zien. Niet de bekende zoektocht naar biologische familie, maar juist ook wat het betekent om op te groeien zonder vanzelfsprekende herkenning om je heen. Over identiteit, racisme, familie en het gevoel ‘in between’ te zijn.
We spraken Hyo Soon op de set van Kimchi en Kroketten.
Je put voor Kimchi en Kroketten uit je eigen ervaringen en die van andere mensen die geadopteerd zijn. Welke verhalen of ervaringen wilde je met deze film zichtbaar maken?
De film is eigenlijk ontstaan naar aanleiding van een gesprek met Chris, de producent, over interlandelijke adoptie. We vroegen ons af: welke films zijn er eigenlijk over interlandelijke adoptie gemaakt? Je komt al snel uit bij programma’s als Spoorloos en films waarin de zoektocht naar familie centraal staat, zoals Lion en Return to Seoul.
We hadden het erover: is dat nou de hoofdzaak van geadopteerd zijn? Voor mij is dat het absoluut niet. Toen zijn we gaan zoeken naar wat het dan wél is en of dat interessant is om in de vorm van een film te belichten.
Zo ontstond het idee om een verhaal te vertellen over opgroeien. Maar dan opgroeien in een wereld zonder spiegels: zonder mensen die op je lijken, zonder familie die je kan meenemen in hoe je omgaat met bepaalde uiterlijke kenmerken en met racisme, waar je niet op voorbereid bent. Dat is een zoektocht die je in je eentje moet ontdekken.
Het is ook een zoektocht naar iets van jezelf dat je soms vergeet omdat je alleen maar in omgevingen met overwegend witte mensen zit. Ik had dat zelf ook. Dan keek ik in de spiegel en dacht ik: wacht even, dit is niet het spiegelbeeld dat ik had verwacht. In mijn hoofd zie ik eruit als een witte, blonde vrouw. En dan kijk ik in de spiegel en zie ik mezelf. Dat is best wel een vervreemding.
Juist dat gevoel van vervreemding vond ik interessant om in het verhaal te gebruiken. Want wat doet het met je als je een ander uiterlijk hebt, een andere achtergrond en andere fysieke kenmerken, maar opgroeit in een omgeving waarin je daar weinig herkenning in vindt? Wat doet het met je als je geen spiegel om je heen hebt?
Kofi worstelt met vragen over zijn adoptie en identiteit, maar we volgen vooral hoe dat ook Soo-Ji aan het denken zet over haar eigen afkomst. Waarom wilde je juist haar perspectief centraal stellen?
Ik vond het fijn om één personage centraal te volgen en daar echt diep in te duiken. Ik heb gekozen voor Soo-Ji, omdat zij als personage het dichtst bij mijzelf ligt.
Kofi is eigenlijk ontstaan omdat we zochten naar iemand die tegenover haar kon staan. Iemand die haar kan inspireren, maar ook kan uitdagen en confronteren met vragen waar ze zelf misschien nog niet mee bezig is. Door hem wordt Soo-Ji aan het denken gezet over haar eigen afkomst en identiteit.
Tegelijkertijd ervaart Kofi andere dingen dan Soo-Ji. Hij krijgt bijvoorbeeld te maken met andere vormen van racisme, mede doordat hij een andere huidskleur heeft. Daarnaast is hij een jongen, zij een meisje, en ze zitten in een andere levensfase.
We hebben bewust gezocht naar die contrasten. Ze maken allebei een vergelijkbare reis, maar leggen een andere route af en komen onderweg andere obstakels tegen.

In de film komen onderwerpen als adoptie, afkomst en identiteit samen. Welke rol spelen deze thema’s in de ontwikkeling van Soo-Ji tijdens die ene zomer?
Ik denk dat Soo-Ji zichzelf heel lang geen vragen heeft gesteld over haar afkomst. Ze heeft niet per se nagedacht over wie ze is als persoon. Haar ouders zijn altijd open geweest over haar afkomst, over haar adoptie en over Zuid-Korea. Maar het is nooit echt een groot vraagstuk voor haar geweest.
In deze zomer begint het pas te borrelen. Door Kofi wordt ze getriggerd en gaat ze nadenken: hoe kijk ik hier zelf eigenlijk naar? Ook opmerkingen van vriendinnen en andere mensen, die haar eerder misschien niet eens opvielen, krijgen ineens een andere lading.
Daarbij gaat ze ook kijken naar haar eigen gedrag. Ze maakt bijvoorbeeld grapjes over de Poolse arbeidsmigranten die in de bollenschuur werken waar zij ook werkt. Dat zijn voor mij allemaal kleine steentjes die bijdragen aan het geheel. Langzaam wordt het groter en gelaagder.
We vonden het allebei heel belangrijk dat we geen film zouden maken waarin we met de vinger wijzen. Er zijn geen slachtoffers en geen daders. We maken allemaal onderdeel uit van een systeem. Het losbreken uit zo’n systeem en het ontdekken van je eigen blinde vlekken is óók een zoektocht. Voor Soo-Ji krijgt die zoektocht vorm vanuit haar adoptieachtergrond.
Je hebt gezegd dat je met de film zowel de harde realiteit als de schoonheid van adoptie wilt laten zien. Wat betekent het voor jou om ruimte te maken voor die verschillende en soms tegenstrijdige ervaringen?
Ik vind het ergens heel mooi dat mensen samen een gezin kunnen vormen, terwijl het een alternatieve samenstelling is. Ik ben zelf opgegroeid in een gezin met twee oudere broers die ook allebei zijn geadopteerd, uit andere landen. Juist het niet delen van een bloedband vind ik interessant: dat je dan toch een familiegevoel kunt ontwikkelen. Kofi en Soo-Ji groeien echt als broer en zus samen op. Ze delen ook gewoon de alledaagse, leuke dingen: met elkaar stoeien, eten van elkaar stelen, samen thuis zijn.
Tegelijkertijd zijn er ook hobbels. Doordat je geen bloed deelt met je familie, kun je te maken krijgen met specifiek andere uitdagingen dan je broers, zussen of ouders hebben meegemaakt. En dan kan het moeilijk zijn om daarover te praten, omdat herkenning en erkenning ontbreken.
In de jaren 90 leefde sterk het idee: als je er maar één kunt redden, doe je een goede daad en geef je een kind een toekomst. Ik weet niet per se of dat de motivatie van deze ouders is geweest, maar ik geloof wel dat zij Kofi en Soo-Ji als hun eigen kinderen beschouwen en volgens hun beste kunnen opvoeden. Ze hebben alleen geen idee hoe ze om moeten gaan met deze specifieke frustraties van hun kinderen.
Inmiddels heeft de geschiedenis ook uitgewezen dat een bad met liefde niet het enige is wat nodig is in zo’n situatie. Er zijn veel meer facetten die uitdagingen kunnen vormen. Het lastige is ook dat er niet één boekje is dat je kunt volgen.
Aan het einde van het verhaal werken we er naartoe dat het een hobbelige weg is geweest, maar dat er tegelijkertijd ook een toekomst voor hen als gezin is. Dat vond ik heel belangrijk om te laten zien.
Je hebt gezegd dat je met deze film een nieuw perspectief op interlandelijke adoptie wilt bieden. Welk perspectief is dat?
Ik wil vooral het perspectief bieden dat het niet altijd gaat over de zoektocht naar biologische familie. Het gaat ook over opgroeien met een ander uiterlijk, een andere huidskleur en andere fysieke kenmerken, waar je als westers persoon niet vanzelfsprekend mee te maken hebt. Dat vraagt om een ander soort aandacht.
We vonden het daarom belangrijk om weg te blijven van het idee dat het alleen maar over de zoektocht naar biologische familie gaat. Het gaat echt om opgroeien en om de vraag: wat doet het met je als je geen spiegels om je heen hebt?
Soo-Ji voelt zich heel erg geworteld in de westerse cultuur en in Nederland, maar tegelijkertijd ziet ze er niet uit zoals zij denkt dat een Nederlander eruit zou moeten zien. Dan ontstaan er bij haar vragen als: mag ze zichzelf Nederlands noemen? Mag ze zichzelf Koreaans noemen?
Dat is ook een zoektocht die ik veel terug hoor van andere geadopteerden. Het is iets waar mensen continu in heen en weer blijven gaan. Dat merk ik zelf ook. Het ene moment denk je: ja, ik mag best zeggen dat ik Koreaans ben. Maar als ik bijvoorbeeld naast de hoofdrolspeelster sta, denk ik ineens: oh ja, dit is echt iets anders. Dan voel ik mij ineens heel Hollands en lomp.

Wat hoop je dat mensen die zelf geadopteerd zijn in de film herkennen of meenemen? En wat hoop je dat de film mensen zonder persoonlijke ervaring met adoptie laat begrijpen?
Ik denk dat het vooral gaat om het gevoel van ‘in-between-ness’: het gevoel dat je eigenlijk nergens helemaal thuishoort. Dat is moeilijk te omschrijven, maar ik denk dat het in de film heel voelbaar wordt. Zowel Soo-Ji als Kofi ervaren dit gevoel en proberen hun plek te vinden in deze wereld.
Op een gegeven moment bevindt Soo-Ji zich tussen allemaal Koreanen en voelt ze zich het meest vervreemd ooit. Dan denkt ze: maar dit is ook niet het antwoord waar ik naar op zoek ben. Uiteindelijk is het iets wat ik toch in mezelf moet vinden. Soo-Ji vindt uiteindelijk de meeste erkenning en herkenning bij haar broer, tegen wie ze zich eerst juist heel erg had afgezet. Omdat hij met hetzelfde worstelt.
Tijdens de scriptontwikkeling hebben we veel gepraat over hoe we het verhaal wilden vertellen. De basis van het verhaal lag heel dichtbij mijn eigen setting als opgroeiende tiener in een klein dorp. Uiteindelijk is het een fictief verhaal geworden maar wel sterk gevoed door specifieke herinneringen en ervaringen.
Zo komt de hoofdpersoon op een familiefeest van haar oma, waar de vriendin van haar neefje zegt: ‘Oh, jij bent geadopteerd. Ik heb altijd al iemand willen ontmoeten die geadopteerd is. En hoe is dat nou? Jij bent je adoptieoudersIn het Nederlands gebruiken we veel verschillende woorden voor ouders na afstand en adoptie. Iedereen gebruikt eigen woorden voor deze relaties en geeft een eigen betekenis aan deze woorden. Dat betekent dat twee personen hetzelfde woord op een andere manier kunnen interpreteren en gebruiken. Ook kunnen verschillende woorden, verschillende emoties oproepen. Dat betekent dat hetzelfde woord voor twee mensen anders kan voelen. Via een vragenlijst onderzocht INEA welke woorden we als expertisecentrum interlandelijke adoptie in wording het beste kunnen gebruiken. De uitkomst hiervan helpt ons om bepaalde woorden te kiezen. We zijn ons ervan bewust dat elk woord dat we uiteindelijk kiezen voor iedereen persoonlijk voordelen en nadelen kan hebben. We volgen als INEA de huidige maatschappelijke en wetenschappelijke discussie rondom het gebruik van taal met veel aandacht en blijven ons taalgebruik, in samenspraak met de Redactieraad en de Adviesraad, evalueren en waar nodig aanpassen. vast heel dankbaar dat ze je hierheen hebben gebracht?’
Dat zijn gesprekken die ik toch best vaak met mensen heb moeten voeren. Waarbij geen grenzen worden gevoeld in wat je wel en niet kunt vragen. Dat ongemak wilden we ook laten zien. De film is soms grappig, maar ook schrijnend.
We hebben heel erg gezocht naar die fijne balans. We wilden niet met de vinger wijzen en zeggen: kijk, al deze witte mensen zijn racistisch. Iedereen maakt onderdeel uit van het systeem en iedereen heeft blinde vlekken. Het gaat er uiteindelijk om dat we met elkaar praten en elkaar respecteren als mensen.





