Sinds oktober 2025 is Elvira Loibl bijzonder hoogleraar op de leerstoel Interlandelijke Adoptie, Erkenning, Dialoog en Herstel aan de Universiteit voor Humanistiek. Met deze leerstoel, die gevestigd is door INEA, wordt onderzoek gedaan naar de gevolgen van interlandelijke adoptie en de vragen die daarbij spelen rondom erkenning, verantwoordelijkheid en herstel.
Maar wat betekent deze leerstoel eigenlijk in de praktijk? Wat wil Elvira Loibl bereiken en hoe betrekt zij geadopteerden bij haar onderzoek? INEA ging hierover met haar in gesprek. In dit interview vertelt zij over haar motivatie, haar plannen voor de komende jaren en haar visie op erkenning, dialoog en herstel.
U bent benoemd tot bijzonder hoogleraar op deze leerstoel. Wat sprak u persoonlijk het meest aan in deze rol, en waarom heeft u ervoor gekozen deze uitdaging aan te gaan?
Voor mij sloot deze leerstoel heel nauw aan bij de ontwikkeling van mijn onderzoek. Ik werk inmiddels al ruim tien jaar rond interlandelijke adoptie, en de laatste jaren ben ik mij steeds meer gaan richten op de vraag hoe samenlevingen en instituties omgaan met de gevolgen van adopties uit het verleden. Die vraag stond ook centraal in het boek Facing the Past. De leerstoel voelde daarom als een logische en betekenisvolle kans om deze onderzoekslijn verder uit te bouwen.
Wat mij daarnaast bijzonder aansprak, is de inbedding aan de Universiteit voor Humanistiek. Daar wordt veel nagedacht over menselijke waardigheid, verantwoordelijkheid, erkenning en herstel. Vooral de samenwerking met de leerstoel Historical Memory and Transformative Justice, die onderzoek doet naar historisch onrecht, vind ik inhoudelijk heel inspirerend. Daardoor kan ik interlandelijke adoptie ook verbinden met bredere vragen: hoe gaan instituties om met schade uit het verleden, hoe wordt verantwoordelijkheid genomen, en wat betekent herstel voor mensen die daardoor geraakt zijn?
Ik heb deze uitdaging aangenomen omdat de leerstoel voor mij precies samenbrengt waar mijn onderzoek de afgelopen jaren naartoe is gegroeid: de nasleep van interlandelijke adoptie, institutionele verantwoordelijkheid en de zoektocht naar betekenisvolle vormen van erkenning en herstel.
We zijn benieuwd: hoe bent u begonnen in dit werkveld en hoe is uw ontwikkeling richting het adoptieveld ontstaan?
Eigenlijk ben ik vrij toevallig bij dit onderwerp terechtgekomen. Na mijn rechtenstudie in Wenen ben ik naar Maastricht gekomen om een master criminologie te volgen. Tijdens die master ontdekte ik mijn interesse voor de criminologie als discipline: de vraag hoe bepaalde vormen van schade, onrecht en criminaliteit ontstaan, hoe daarop wordt gereageerd en hoe zij kunnen worden voorkomen.
In die periode las ik een artikel van David Smolin over child laundering. Dat artikel maakte veel indruk op mij. Ik dacht toen: dit is een heel interessant onderwerp voor criminologisch onderzoek. Het gaat om een praktijk waarin vragen rond macht, kwetsbaarheid, marktwerking, wetgeving en toezicht samenkomen, maar die op dat moment nog nauwelijks vanuit de criminologie was bestudeerd.
Mijn betrokkenheid begon dus vooral vanuit wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Aanvankelijk keek ik vooral naar illegale adoptiepraktijken en naar de structurele kwetsbaarheden binnen het adoptiesysteem. In de loop der jaren is mijn perspectief verbreed. Ik ben mij steeds meer gaan bezighouden met de gevolgen van interlandelijke adoptie: vragen rond mensenrechten, staatsverantwoordelijkheid, erkenning en herstel. Inmiddels beweegt mijn werk zich ook richting transformatieve rechtvaardigheid: hoe kunnen we niet alleen reageren op onrecht uit het verleden, maar ook nadenken over verandering van instituties en maatschappelijke structuren? Juist die ontwikkeling heeft uiteindelijk geleid tot het werk dat ik nu binnen deze leerstoel doe.
Hoe zorgt u ervoor mensen die interlandelijk geadopteerd zijn niet alleen onderwerp van onderzoek zijn, maar ook daadwerkelijk een structureel betrokken worden bij het onderzoek?
Voor mij begint dat bij de manier waarop de leerstoel zelf wordt vormgegeven. Nog voordat ik het onderzoeksprogramma definitief heb uitgewerkt, heb ik rondetafelgesprekken en individuele gesprekken gevoerd met geadopteerden. Het doel daarvan was om te horen welke zorgen, verwachtingen en prioriteiten zij zelf belangrijk vinden.
Ook in de komende jaren wil ik die betrokkenheid structureel maken. Dat betekent dat geadopteerden niet alleen als respondenten worden benaderd, maar ook als kennisdragers die mede richting kunnen geven aan de vragen die worden gesteld. Ik wil daarom blijven werken met gesprekken, feedbackmomenten en toegankelijke terugkoppelingen over wat er met hun input gebeurt. Juist dat laatste is belangrijk, omdat veel geadopteerden ervaring hebben met consultaties waarvan onduidelijk blijft wat ze concreet opleveren.
Sommige geadopteerden vragen zich af wat een bijzondere leerstoel concreet oplevert voor mensen die dagelijks leven met de gevolgen van afstand en interlandelijke adoptie. Wat hoopt u dat geadopteerden over vijf jaar daadwerkelijk merken van het onderzoek dat vanuit deze leerstoel wordt gedaan?
Ik begrijp die vraag heel goed. Een leerstoel lost niet direct individuele problemen op, en ik wil ook niet de indruk wekken dat onderzoek op zichzelf herstel is. Wat ik wel hoop, is dat geadopteerden over vijf jaar merken dat hun ervaringen serieuzer worden genomen in beleid, instituties en het publieke debat.
Concreet hoop ik dat het onderzoek bijdraagt aan beter begrip van de verschillende behoeften die onder geadopteerden bestaan, aan betere gesprekken tussen geadopteerden en instellingen, en aan meer doordachte vormen van erkenning en herstel. Bijvoorbeeld rondom toegang tot informatie, identiteitsherstel, ondersteuning bij zoektochten, en de manier waarop instituties reageren op pijn, kritiek of wantrouwen.
Als het onderzoek eraan bijdraagt dat beleid minder vanuit institutionele logica en meer vanuit geleefde ervaringen wordt vormgegeven, dan zou dat voor mij een belangrijke opbrengst zijn.
De leerstoel richt zich op erkenning, dialoog en herstel. Dat zijn begrippen die vaak worden gebruikt, maar die voor verschillende betrokkenen iets anders kunnen betekenen. Wat verstaan u en de leerstoel onder ‘herstel’, en hoe bepaalt u wat betekenisvol herstel is voor geadopteerden en hun families?
Wat herstel betekenisvol maakt, kan niet van bovenaf worden vastgesteld. Dat moet worden onderzocht en ontwikkeld in gesprek met geadopteerden en, waar mogelijk, ook met hun families. Daarbij wil ik nadrukkelijk ruimte maken voor de veelheid aan ervaringen. Er zijn geadopteerden die hun adoptie vooral verbinden met verlies, schade of onrecht, maar er zijn ook mensen die hun adoptie als positief ervaren, of die verschillende gevoelens naast elkaar hebben. Ook deze stemmen zijn belangrijk en moeten een plek krijgen in de debat.
Erkenning betekent voor mij niet dat iedereen zich in hetzelfde verhaal moet herkennen, maar juist dat verschillende ervaringen naast elkaar mogen bestaan. Daarom kan herstel ook niet één vaste vorm hebben. Voor sommige mensen gaat het om toegang tot informatie, identiteitsherstel, financiële ondersteuning of erkenning van verantwoordelijkheid. Voor anderen gaat het misschien meer om zorgvuldige taal, ruimte voor hun eigen verhaal, of de mogelijkheid om niet uitsluitend vanuit schade of slachtofferschap te worden benaderd. Juist die verschillen, spanningen en ambivalenties wil ik met deze leerstoel zichtbaar maken en beter begrijpen.
Het adoptieveld kent uiteenlopende ervaringen en soms ook stevige meningsverschillen. Hoe wilt u het gesprek voeren met mensen die kritisch zijn op wetenschappelijk onderzoek of die zich afvragen of academische instellingen hun belangen wel voldoende begrijpen?
Er zijn goede redenen waarom sommige geadopteerden kritisch of wantrouwend zijn tegenover onderzoek en instituties. Veel mensen hebben het gevoel dat er al vaak óver hen is gesproken, zonder dat dit tot concrete verandering heeft geleid. Sommigen ervaren onderzoek zelfs als een vorm van extractie: verhalen worden opgehaald, maar de betrokkenen zien weinig terug van wat daarmee gebeurt.
Juist daarom probeer ik vooral goed te luisteren en transparant te zijn. Voor mij betekent dat dat ik duidelijk wil zijn over wat deze leerstoel wel en niet kan doen, welke vragen worden gesteld, wat er met de uitkomsten gebeurt, en vanuit welke rol en positie ik dit onderzoek doe. In een gevoelig veld als interlandelijke adoptie vind ik het belangrijk om open te zijn over mijn rol als onderzoeker, over de inbedding en financiering van de leerstoel, en over de grenzen van wat academisch onderzoek kan bijdragen.
Een belangrijk onderdeel daarvan is terugkoppeling. Onderzoek moet niet alleen eindigen in academische publicaties, maar ook toegankelijk worden gemaakt voor de mensen om wie het gaat. Daarom deel ik mijn ideeën, reflecties en publicaties ook via de website van Facing the Past. Niet omdat daarmee alle afstand verdwijnt, maar wel om de lijnen kort te houden en zichtbaar te maken waar ik mee bezig ben. Binnen deze leerstoel wil ik die manier van werken voortzetten: door duidelijk te communiceren wat er met input gebeurt, welke inzichten het onderzoek oplevert, en hoe die kunnen bijdragen aan gesprekken met beleid en instituties.
Tegelijkertijd vind ik dat niet iedereen hoeft mee te doen. Kritiek, afstand of weigering zijn óók betekenisvolle signalen. De uitdaging is om daar zorgvuldig mee om te gaan, zonder mensen te willen overtuigen of hun wantrouwen te problematiseren.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat ook betrokkenen die zich minder nadrukkelijk uitspreken, zich gehoord en vertegenwoordigd voelen in onderzoek, beleid en het publieke debat?
Een belangrijk uitgangspunt van de leerstoel is dat zichtbaarheid niet hetzelfde is als representativiteit. In het publieke debat horen we vaak de stemmen van mensen die georganiseerd zijn, veel kennis hebben opgebouwd, of zich actief inzetten voor verandering. Die stemmen zijn heel belangrijk. Maar daarnaast is er een grote groep geadopteerden die zich minder of helemaal niet uitspreekt.
Ik wil daarom bewust zoeken naar laagdrempelige manieren om ook met deze mensen in gesprek te komen. Niet iedereen wil deelnemen aan publieke bijeenkomsten of zich verbinden aan een organisatie. Interviews, individuele gesprekken, vertrouwelijke settings en verschillende vormen van deelname kunnen helpen om andere ervaringen zichtbaar te maken.
Tegelijkertijd moeten we voorzichtig zijn met het woord “vertegenwoordiging”. Geen enkel onderzoek kan namens alle geadopteerden spreken. Wat het wel kan doen, is laten zien dat er meerdere ervaringen naast elkaar bestaan. Sommige geadopteerden verbinden hun adoptie vooral met verlies, breuk en onrecht; anderen spreken eerder over kansen en verbondenheid. Daartussen bestaan bovendien allerlei vormen van ambivalentie, stilte, afstand en betrokkenheid. Juist die veelheid moet een plek krijgen in onderzoek en beleid.
Er zijn geadopteerden die zeggen: “Er wordt opnieuw geld besteed aan onderzoek, terwijl wij behoefte hebben aan concrete ondersteuning en herstel.” Wat zou u tegen hen willen zeggen over de waarde en het doel van deze leerstoel?
Ik zou allereerst zeggen dat ik die kritiek goed begrijp. Voor veel geadopteerden is de behoefte aan concrete ondersteuning urgent. Zij maken vaak zelf hoge kosten om hun herkomst te achterhalen: voor zoektochten naar familie, reizen naar het land van herkomst, DNA-testen, vertalingen, juridische procedures of het herstellen van hun naam en identiteit. Dan kan het heel frustrerend zijn om te horen dat er opnieuw geld naar onderzoek gaat, terwijl zulke praktische en financiële lasten nog steeds grotendeels bij geadopteerden zelf terechtkomen.
Tegelijkertijd zie ik deze leerstoel niet als vervanging van concrete ondersteuning of herstelmaatregelen. Die zijn hard nodig. Wat ik met deze leerstoel wil doen, is ervaringen die vaak als individuele problemen worden behandeld (een ontbrekend dossier, een moeilijke zoektocht, een naam of geboortedatum die niet klopt) verbinden met bredere vragen over erkenning, verantwoordelijkheid en herstel. Onderzoek kan helpen om die ervaringen beter te begrijpen, maar ook om scherper te maken wat erkenning en herstel in de praktijk zouden moeten betekenen.
De leerstoel is dus geen eindpunt en ook geen excuus om concrete steun uit te stellen. Wel kan zij bijdragen aan een beter onderbouwd gesprek over wat geadopteerden nodig hebben, welke verantwoordelijkheden instituties hebben, en hoe herstelbeleid eruit zou kunnen zien dat niet over, maar mét geadopteerden wordt ontwikkeld.
Eerder nieuwsbericht okt 2025: Elvira Loibl wordt bijzonder hoogleraar Erkenning, Dialoog en Herstel na Interlandelijke Adoptie





